Ding dong
28/04/06
Ze kan op andere dagen van de week fietsen, maar ze verkiest de zondagen. Omdat de dijken dan vol fietsers zijn. Fietsers die, omdat het druk is, af en toe hun fietsbellen gebruiken.
Het is voor dat gerinkel dat Endorfien op zondagen graag op de dijken gaat fietsen.
Het doet haar denken aan haar moeder met wie ze vroeger dikwijls uit reed. “Fietsen op de heide, fietsen met zijn beiden”, zo zong ze, en Endorfien die achter haar aan trapte, ondersteunde haar gezang met haar bel.
Het herinnert haar ook aan haar vriendje. Die verzamelde fietsbellen. Of toch het bovenste deel ervan. Af en toe vond hij op straat zo’n verloren ‘hoedje’. Soms intact, soms plat gereden. Hij rangschikte ze volgens doorsnede, de grootste 80 mm, en volgens kleur, de meeste zilver. Volgens geluid, dat ging niet. Volgens prijs, ook niet. Ze deed hem er eens enkele cadeau (twee van 3 Euro, één van 5, één van 9), maar die wou hij niet.
Haar vriendje was iemand die wou vinden, niet kopen. Die wou “fietsen op de heide, ver van iedereen”.
Endorfien werd wakker. Het is dan nooit lang wachten op een vraag. Deze nacht vroeg die naar de rusttekens uit het notenschrift.
